maandag 18 maart 2013

Eén ei is geen ei...


Eén ei kan namelijk tot zoveel andere dingen omgetoverd worden. Dat gebeurt natuurlijk volop met Pasen. En dat doe ik ook met mijn nieuwe haakpatroon. Ik heb een haakpatroon geschreven voor een groot en een klein paasei en met die patronen kun je eigenlijk alle kanten op. Je kunt er kleurrijke paaseieren van maken, maar met wat extraatjes tover je een ei ook zo om in een kip, een kuikentje, een schaapje of een paashaas. Ook daarvoor heb ik korte patroontjes geschreven. Ik heb alles gehaakt met een 3 mm haaknaald en katoen voor deze maat haaknaald. Alles is in een spiraal gehaakt, dus ik eindig een toer niet met een halve vaste.

Bij het haken van de eieren kunnen de volgende tutorials van pas komen:

- Het haken van een magic loop
- Netjes van kleur wisselen
Lussen Haken (lussteek)
Onzichtbaar minderen
Netjes afhechten

Laten we beginnen met de patronen voor de paaseieren.


Groot paasei
Gebruik een steekmarkeerder om het begin van elke toer te markeren.
TOER 1: Haak 6 v in een magische cirkel (6)
TOER 2: 2 v in elke v (12)
TOER 3: 1 v in elke v (12)
TOER 4: (1 v in volgende v, 2 v in volgende v) 6x (18)
TOER 5: 1 v in elke v (18)
TOER 6: (1 v in volgende 2 v, 2 v in volgende v) 6x (24)
TOER 7 – 8: 1 v in elke v (24)
TOER 9: (1 v in volgende 3 v, 2 v in volgende v) 6x (30)
TOER 10-14: 1 v in elke v (30)
***
TOER 15: (1 v in volgende 13 v, 2 v samen haken) 2x (28)
TOER 16: (1 v in volgende 5 v, 2 v samen haken) 4x (24)
TOER 17: (1 v in volgende 4 v, 2 v samen haken) 4x (20)
TOER 18: (1 v in volgende 2 v, 2 v samen haken) 5x (15)
Vul hier het paasei op met vulling zoals fiberfill.
TOER 19: Haak rondom steeds 3 v samen, totaal 5x (5)
Afhechten.

Klein paasei
Gebruik een steekmarkeerder om het begin van elke toer te markeren.
TOER 1: Haak 6 v in een magische cirkel (6)
TOER 2: 2 v in elke v (12)
TOER 3: 1 v in elke v (12)
TOER 4: (1 v in volgende v, 2 v in volgende v) 6x (18)
TOER 5: 1 v in elke v (18)
TOER 6: (1 v in de volgende 2 v, 2 v in volgende v) 6x (24)
TOER 7 – 11: 1 v in elke v (24)
***
TOER 12: (1 v in volgende 6 v, 2 v samen haken) 3x (21)
TOER 13: (1 v in volgende 2 v, 2 v samen haken) 5x, 1 v in laatste v (16)
Vul hier het paasei op met vulling zoals fiberbill.
TOER 14: Haak rondom steeds 2 v samen (8)
Afhechten.

Je kunt de eitjes haken in één kleur en versieren met bijvoorbeeld bloemetjes of stippen, maar je kunt ze ook in meerdere kleuren in een streeppatroon haken. Het blauwgestreepte ei op de foto hierboven is het grote ei. Als je dit ei iets te groot vindt om in je paastak te hangen, dan haak je een kleiner eitje, zoals het gele en het meerkleurige eitje op de foto. 

Op de plaatsen van de sterretjes in de patronen van de eitjes worden de paasei-diertjes gevormd, door bijvoorbeeld de oortjes of snaveltjes vast te zetten. Hoe je die afzonderlijke deeltjes maakt, volgt hieronder.






Dit is moeder kip met haar paasei. De kip is gemaakt met het patroon van het grote paasei als basis. 
Je hebt wit, rood en geel garen nodig om haar te kunnen maken. En oogjes, vulling en naald en draad natuurlijk.

Snaveltje
TOER 1: Haak 6 v in een magische cirkel (6)
TOER 2: 1 v in elke v (6)
Vouw het snaveltje een beetje dubbel en stik het zo vast. 

Vleugeltjes
Gebruik een steekmarkeerder om het begin van elke toer te markeren.
TOER 1: Haak 6 v in een magische cirkel (6)
TOER 2: 2 v in elke v (12) 
TOER 3 – 6: 1 v in elke v (12)
Vouw de vleugeltjes dubbel en stik ze zo vast.

Kam
Haak 5 lossen. Haak 1 v in de eerst gemaakte losse (de 5e losse vanaf de haaknaald). Herhaal dit 3x. 
Dus haak weer 5 lossen en haak 1 v in de eerste losse van deze reeks van 5 lossen. En doe dit nog één keer. 
Knip de draad af, laat een lang stuk over om de kam vast te kunnen zetten. Werk de begindraad onder de kam weg. 



Uit het paasei van moeder kip is een schattig kuikentje gekomen. Het kuikentje maak je van geel garen. Het snaveltje is van oranje garen gemaakt. Het snaveltje en de vleugeltjes zijn hetzelfde patroon als van de kip. Daarom heb ik ook het patroon van het grote paasei gebruikt, zodat alles in proportie bleef. Je zou natuurlijk ook een kleinere versie kunnen maken. Of een ander vogeltje.


Als het kuiken klaar is, kun je een plukje haar bovenop het hoofdje maken. Dat geeft het kuiken een leuke jeugdige look. Haal gewoon wat stukjes haakgaren door een lusje bovenop. Leg er een knoopje in en trek het garen een beetje uit elkaar zodat het wat gaat pluizen. 


Dan natuurlijk de paashaas zelf. De paashaas is ook gemaakt van het patroon van het grote paasei. Ik heb lichtbruin garen gebruikt. Het snoetje heb ik met lichtroze garen gemaakt.  De oren zijn als volgt gemaakt:

Oren paashaas
Gebruik een steekmarkeerder om het begin van elke toer te markeren.
TOER 1: Haak 5 v in een magische cirkel (5) 
TOER 2: 2 v in elke v (10)
TOER 3 – 5: 1 v in elke v (10)
TOER 6: (1 v in de volgende 3 v, 2 v samen haken) 2x (8)
TOER 7 – 9: 1v in elke v (8)
Vouw de oren aan de onderkant dubbel en stik ze zo vast.

Een schattig detail van het haasje is zijn staartje:



Het lukte mij niet om zo'n kleine pompon te maken, dus heb ik een roze draad gepakt en daaromheen allemaal korte roze draadjes op één punt geknoopt. Deze draadjes heb ik ook weer wat uit elkaar gehaald om ze pluiziger te maken.


Dan mijn persoonlijke favoriet; het schaapje! Deze is gemaakt met de loop stitch, oftewel de lussteek (zie tutorial). Alleen de eerste zes steken in de magic loop zijn gewoon vasten. Omdat de lussteek vrij los wordt gehaakt, heb ik dit schaapje gemaakt van het patroon van het kleine paasei. Hij wordt dan alsnog even groot als de andere dieren die van het grote paasei zijn gemaakt. Ik heb een wit schaap gemaakt, met lichtbruine toevoegingen. 

Oren schaapje
TOER 1: Haak 6 v in een magische cirkel (6)
TOER 2: 2 v in elke v (12)
Vouw de oortjes aan de onderkant een beetje dubbel en stik ze zo vast. 

De paaseieren en de paasei-diertjes zijn leuk om zo neer te zetten, maar door er een touwtje of een lintje doorheen te halen, zijn ze ook geschikt om in een paastak te hangen.





Het is me voor nu niet gelukt om de hele paastak vol met zelfgehaakte creaties te hangen, maar ik heb nog even de tijd. Jullie ook, dus haak ook wat gezellige paasei-variaties! Ze zijn zo klaar! Veel haakplezier en...



PS: Dit patroon is gratis en mag door iedereen gehaakt worden ;-) maar zonder toestemming mag dit patroon niet worden verspreid of voor commerciële doeleinden worden gebruikt. Linken met bron mag natuurlijk altijd.


zondag 17 maart 2013

Lussen haken

De lussteek, in het Engels "loop stitch", is een steek met een leuk effect. Je kunt er bijvoorbeeld haren mee creëren voor je amigurumi. Het is geen moeilijke steek, al is het in het begin even wennen. 




Je haakt namelijk binnenstebuiten. De lussen die je vormt, ontstaan eigenlijk aan de achterkant van je haakwerk. Wanneer je een amigurumi haakt met deze steek, wijst de goede kant van je haakwerk dus eigenlijk naar binnen. Daardoor hebben je steken een beetje de neiging om naar binnen te klappen, maar als je niet te vast haakt, is dat eigenlijk geen probleem. Maar hoe maak je nou die lussen?



Steek je haaknaald gewoon in de eerstvolgende steek zoals je gewend bent. 





Nu komt het. In plaats van je draad van achter naar voren over je haaknaald om te slaan, hou je de draad nu voor je haaknaald. Je vormt met de wijsvinger die de draad vast heeft een lus, zoals te zien is op de foto hierboven. Je pakt met de haak van je haaknaald de twee draden van deze lus aan de onderkant vast. 


Haal de twee draden van de gevormde lus door de steek heen. Je hebt nu drie draden op je haaknaald. Je houdt al die tijd de lus met je wijsvinger omhoog.


Het lastige van de lussteek is om lussen van gelijke grootte te maken. Ik gebruik daar in dit voorbeeld een hulpmiddel voor, namelijk een extra haaknaald. Je kunt variëren in de grootte van de lus, dus ook in de grootte van de haaknaald die je door de lus steekt, maar in dit voorbeeld wil ik kleine lusjes maken dus gebruik ik een vrij dunne haaknaald. Je steekt de extra haaknaald door de lus en trekt de lus aan. 


Laat de extra haaknaald door de zojuist gemaakte lus achter je haakwerk bungelen. Sla de draad weer om de haaknaald waar je mee aan het haken bent. 


Haal de draad door alle lussen op je haaknaald. 


Verwijder de extra haaknaald uit de lus.


Je hebt nu namelijk één steek gehaakt en je lus zit nu vast. Je ziet dat er aan de buitenkant van het haakwerk een lusje is ontstaan. Op deze manier haak je gewoon alle steken waar je lussen wil creëren. 

Meerderen en minderen doe je eigenlijk gewoon zoals anders. Bij het meerderen haak je gewoon meerdere lussteken in dezelfde steek. Bij minderen pak je eerst de steken op die samen gehaakt moeten worden en vorm je uiteindelijk één lus. 


Magic Loop

Je begint amigurumi haakwerk meestal door een cirkel te vormen zodat je rond kunt gaan haken. Je kunt dit doen door enkele losse steken op te zetten en deze dan tot een cirkel te vormen. Je kunt ook met een "magic loop" beginnen. In het Nederlands wordt dit ook wel de "magische ring" of de "magische cirkel" genoemd. Als je met de magic loop begint, creëer je een rondje dat zich helemaal sluit en geen opening over laat. Het ziet er dus mooier uit.
Ook een magic loop kun je weer op meerdere manieren doen. Hieronder staat uitgelegd hoe ik het doe.


Sla de draad om je wijsvinger zoals hierboven op de foto.



Steek je haaknaald onder de drie lussen op je vinger door. Haal vervolgens de linker lus door de andere twee lussen heen.


Haak nu een losse. Sla dus de draad om je haaknaald en haal de draad door de lus op je haaknaald.




Schuif nu de twee lussen van je wijsvinger af. Deze vormen een cirkel (een magic loop). Hou deze cirkel onderaan vast. Je gaat nu de eerste vaste in de cirkel haken (haak deze niet te vast, omdat dat straks het sluiten van de magic loop kan bemoeilijken). Steek je haaknaald in de cirkel en sla de draad om.


Haal de draad door de cirkel. Je hebt nu twee lussen op je haaknaald. Sla de draad om je haaknaald.


Haal de draad door de twee lussen op je haaknaald. Je hebt nu de eerste vaste in de magic loop gehaakt. Haak nu op dezelfde manier in de cirkel het aantal vasten zoals in je patroon staat.


Als je het juiste aantal vasten in de cirkel hebt gehaakt, trek je de lus iets omhoog en verwijder je je haaknaald. Pak de magic loop dan vast zoals op de rechterfoto hierboven. Pak het uiteinde van de draad met de duim en wijsvinger van je andere hand vast.



Je gaat nu de magic loop sluiten. De magic loop bestaat dus uit twee draden. Deze twee draden gaan zich niet tegelijk sluiten, maar eerst gaat draad A en vervolgens draad B. Trek rustig aan het uiteinde totdat je één van de draden van de magic loop naar binnen ziet gaan. Die noemen we even draad A. Pak dan de andere draad (die niet naar binnen schoof, draad B) even vast en trek deze iets naar de buitenkant, zodat er ruimte ontstaat voor draad A om naar binnen te schuiven. Trek vervolgens weer aan het uiteinde, zodat draad A zich helemaal sluit. Het kan zijn dat je tussendoor nog even aan draad B moet trekken, zodat draad A netjes naar binnen kan schuiven. Trek weer verder aan het uiteinde, zodat ook draad B zich sluit.




Je magic loop hoort er nu uit te zien zoals op de linkerfoto hierboven. Zoals je ziet is er geen opening in het midden, maar vormt het een nauwsluitende cirkel. Haak nu verder in de rondte zoals het patroon voorschrijft.


Kleur wisselen

Er zijn verschillende methodes om tijdens het haken van kleur te wisselen. Veel van deze methodes veroorzaken lelijke overgangen tussen de kleuren. Hieronder leg ik uit hoe je van kleur kunt wisselen, zonder een erg opvallende overgang. Helemaal onzichtbaar is het niet, maar het ziet er wel netter uit.


Steek de haaknaald in de eerstvolgende steek van de toer waarin je met een nieuwe kleur wil beginnen. Sla om met de oude kleur.


Haal de draad van de oude kleur door de steek. Je hebt nu twee lussen van de oude kleur op je haaknaald. Sla vervolgens om met de nieuwe kleur.


Haal de draad van de nieuwe kleur door de beide lussen op je haaknaald. Je hebt nu één lus van de nieuwe kleur op je haaknaald. Steek de haaknaald vervolgens in de volgende steek.


Je maakt nu een halve vaste. Sla de draad van de nieuwe kleur dus om je haaknaald en haal deze in één keer door de steek en de lus op je haaknaald. Haak nu gewoon verder met de nieuwe kleur.


Onzichtbaar minderen

Als je mindert haak je twee of meer steken samen tot één steek. Dit kan op meerdere manieren. Als je dit doet door de beide lussen van een steek op te pakken, zie je later in je haakwerk waar je bent gaan minderen, er ontstaat een soort rand. Je kunt echter ook op een manier minderen die niet te zien is. Hieronder leg ik uit hoe.



Je gaat alleen de voorste lussen van de steken gebruiken. Op de foto hierboven is te zien wat de voorste lus van een steek is. Het is de lus die aan de buitenkant van je haakwerk zit.

Steek je haaknaald in de voorste lus van de steek waar je wil gaan minderen.



Steek je haaknaald vervolgens in de voorste lus van de volgende steek die samen gehaakt moet worden met de vorige steek. Hiervoor moet je je haaknaald een beetje naar buiten draaien. Je hebt dan drie lussen op je haaknaald.

Sla vervolgens de draad om je haaknaald.



En haal de draad door de twee voorste lussen die je zojuist had opgepakt. Je hebt nu nog twee lussen op je haaknaald.




Sla de draad weer om je haaknaald en haal de draad door de beide lussen op je haaknaald.

Je hebt nu twee steken samen gehaakt en dus één steek geminderd.

Als je drie steken moet samen haken, gaat dat eigenlijk op dezelfde manier, alleen dan met een extra lus. Je pakt eerst van alle drie de steken de voorste lussen op. Dan sla je de draad om en haal je deze door de eerste drie lussen. Je hebt dan nog twee lussen op je haaknaald. Sla de draad nogmaals om en haal deze door de laatste twee lussen op je haaknaald. Dan heb je drie steken onzichtbaar samen gehaakt.


Afhechten

Aan het einde van je haakwerk is het tijd om af te hechten. Als je uren hebt zitten kneutselen op je haakwerk, wil je ook dat de finish er netjes uit komt te zien. Hieronder korte uitleg over hoe je amigurumi haakwerk netjes kunt afhechten, zonder bobbels.


Als je klaar bent met haken, trek je de lus omhoog en haal je je haaknaald eruit. Knip de draad af en laat deze wat langer, zodat je er dadelijk mee kunt rijgen. Trek aan de lus zodat de draad er doorheen gaat en de lus verdwijnt. 


Haal de draad door een (stop)naald en steek de naald alleen door de voorste lus van elke steek. Werk in dezelfde richting als waarin je haakt. Trek de draad aan, maar nog niet te strak. Haal zo de naald en draad door alle voorste lussen van alle steken.


Als je de naald en draad door alle steken hebt gehaald, trek je de draad strakker aan. 


Je ziet dan dat de opening zich verder sluit. 


Steek dan de naald met draad door het midden van de opening heen (of eigenlijk is het nu dus niet echt een opening meer) en haal de naald er aan de andere kant van je haakwerk weer uit. 


Trek de draad nog even goed aan en knip deze dan af. Doe dit niet te strak, maar laat de draad ook niet te lang. Doe het zo dat het uiteinde van de draad nét in je haakwerk verdwijnt. Doordat de draad door de vulling van je haakwerk heen is gegaan, blijft deze gewoon zo zitten. Nu is je haakwerk klaar!


Over mij

Mijn foto
Welkom op mijn blog! Hier schrijf ik over mijn favo dingen; bakken, haken en andere kneuterige knutseldingen.

Volgers

Mijn favoriete blogs

Mogelijk gemaakt door Blogger.

Freubelweb

Freubelweb